Veelkleurig als het leven - column
De meeste liedteksten die ik schrijf zijn bedoeld voor gebruik in de gemeente. Dat betekent dat veel verschillende mensen zich erin moeten kunnen vinden. Natuurlijk speelt mijn eigen overtuiging en mijn kijk op de eredienst een grote rol. Maar ik probeer steeds zo ruim mogelijk te formuleren. Met één uitzondering: dit lied is voor ons! Al heel lang geleden heb ik de melodie van Die winter is vergangen gereserveerd voor een roze zaterdag lied. En dit is het resultaat.
Ik wilde een feestelijk lied schrijven, een loflied, een lied om mee te beginnen en de toon te zetten. Een lied waarin ruimte is voor iedereen. Er zijn immers in de roze zaterdag viering zoveel mensen die zich buitengesloten voelen. Die lang geleden of heel recent buiten de gemeenschap gezet zijn. Zij zijn hier welkom. Voor hen is de kerk vaak met veel verdriet verbonden. Op roze zaterdag willen wij een vrolijke kerk zijn.
En we zijn een zichtbare en hoorbare kerk: laat iedereen ons horen op deze mooie dag. Wij verstoppen ons niet, daar is geen enkele reden voor. Wij vieren deze dag een feest dat voor iedereen te zien en te horen is.
Maar wat zijn wij onderling verschillend! Waar we vroeger vooral over homoseksualiteit spraken, gaat het nu in internationaal verband over LGBT-people: Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender. Al deze groepen zijn op roze zaterdag present. En de variaties zijn nog veel groter. Hoewel sommige mensen (niet alleen hetero’s) een stereotype beeld van homo's en lesbo's hebben, zijn er grote verschillen. Kijk maar eens om je heen als je op roze zaterdag door de stad loopt. In kerkelijk opzicht bestrijken we het hele spectrum: katholiek en protestant, van zwaar orthodox tot vrijzinnig, van evangelisch tot randkerkelijk. Op roze zaterdag zijn we één grote oecumene.
Nu ik dat allemaal in een liedtekst heb verwerkt, lijkt het resultaat veel breder toepasbaar dan alleen op roze zaterdag. Het is een lied geworden voor mensen die zich ondanks grote onderlinge verschillen met elkaar verbonden voelen. Veelkleurig als het leven.
Herinnering
|
|
Wij noemen U de namen van hen met wie wij samen het leven mochten gaan. Nu zij ons zijn ontvallen lijkt leven te versmallen tot koud en eenzaam voortbestaan. O Eeuwige, laat merken |
Melodie: gezang 39 uit Psalmen en gezangen voor den eeredienst
der Nederlandsche Hervormde Kerk gepubliceerd in 1938
Herinnering - column
Eigenlijk kende ik Paula niet. Ik wist wel wie ze was: ik kende haar naam, haar gezicht. Prachtig lang haar had ze, tot voor kort. Ik wist een paar dingen van haar. Dat ze jarenlang notuliste was geweest van de kerkenraad. Dat ze in Amsterdam werkte, ik had haar daar immers een keer ontmoet. En we hebben vast wel eens een praatje gemaakt bij de koffie, voor of na een kerkdienst. Maar eigenlijk kende ik haar niet.
Totdat de diaconie huiskamerbijeenkomsten organiseerde om elkaar binnen de kerk wat beter te leren kennen. Ik had mijn huiskamer aangeboden. Onder mijn gasten was Paula met haar vriend. Ze vertelde over zichzelf, over haar leven. Net als wij allemaal. Ze vertelde over haar huwelijk, haar scheiding en hoe ze zich staande had gehouden. Dat was voor mij herkenbaar. Ze vertelde hoe goed ze het nu had met haar vriend. Ik vond haar een leuk mens. Ik nam me voor meer contact met haar te zoeken. Toen werd het zomer.
In de zomer heb ik weinig contact met de kerk. De meeste activiteiten liggen stil. Veel mensen zijn op vakantie. Ik ga zelf ook. Ik ben verder ook veel zondagen weg, en als ik thuis ben heb ik zin om uit te slapen. Meestal ben ik een maand of twee verdwenen, om rond de startzondag in september weer op te duiken. Die zomer liet de voorzitter van de cantorij me niet met rust. Hij belde een aantal keren, maar ik was niet thuis. Hij liet geen boodschap achter op het antwoordapparaat. Dus belde ik hem. Toen was hij weg om in te zingen: de cantorij, voor zover niet op vakantie, zou over een uurtje zingen in een uitvaartdienst. Hij had willen vragen of ik mee kon doen.
'Hij heeft het er druk mee, deze week' zei zijn vrouw, 'Eerst Paula, en nu dit.'
'Paula?'
'Ja, weet je dat niet?'
Nee, ik wist van niets. Ze vertelde. Paula was aan het eind van haar vakantie ziek geworden. Ze waren eerder terug gegaan. ’s Avonds thuis werd ze steeds zieker. Haar vriend heeft ’s nachts de huisarts gebeld. Die constateerde een dubbele longembolie. Ze was binnen een paar uur overleden. De begrafenis was al geweest.
Ik ben niet naar die andere uitvaartdienst geweest. Ik kende de overledene nauwelijks. En ik was verbijsterd, sprakeloos. Paula was begin veertig en altijd gezond geweest. En dan dit.
Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar gedenken wij iedereen die het afgelopen jaar is overleden. Dat jaar was ik er niet bij. Ik was de week daarvoor geopereerd en net weer thuis. Ik kon er niet bij zijn, maar wilde wel mee vieren. Ik vroeg de cassetteband. Die werd een paar dagen na de dienst met liturgie thuis bezorgd.
Ik had nog nooit een dienst meegemaakt door alleen te luisteren. Ik had wel eens een dienst beluisterd waar ik bij was geweest. De beelden zijn er dan al. Die komen vanzelf terug tijdens het luisteren. Dit was heel anders. Maar ik kende de kerk. Ik kende de mensen. Ik kon me voorstellen wat er gebeurde. Ik hoorde de namen. Ik hoorde haar naam. Paula: luid en duidelijk. In gedachten zag ik hoe haar kaarsje werd aangestoken. Stond te branden tussen al die andere kaarsjes. Het bleef onwerkelijk. Ik was er niet bij, en toch ook wel.
Later heb ik dit lied geschreven voor de gedachteniszondag. Voor iedereen die ik mis. Voor iedereen die wij missen. Voor iedereen die achterblijft. Voor de vriend van Paula.
Voor Paula.
Ga op weg - column
Het schrijven van kerkliederen is langzamerhand gegroeid. Eerst kwamen er gedichten. Ik maakte er een gewoonte van om er één op mijn nieuwjaarskaart te zetten. Toen vierden we wat feestjes van cantorijleden. Daarvoor heb ik liedteksten gemaakt op melodieën die wij als cantorij vaak zongen. Daarna durfde ik de liturgiecommissie voor te stellen om een lied voor de vespers te maken. 'Kiezen jullie maar een mooie melodie uit,' gaf ik ze mee. Al snel kwam het enthousiaste antwoord: 'Leuk, maar je krijgt geen melodie, die maakt Marijn.' Ze bedoelden Marijn Slappendel, onze cantor.
Dat was even slikken: een tekst maken zonder het houvast van een melodie. Dat had ik nog nooit gedaan. Zou ik dat wel kunnen, lukt het om dan het juiste ritme te vinden? Het lukte, beter dan ik verwachtte, ik was tevreden. Ik gaf het aan Marijn.
Daarna was iedere cantorij repetitie spannend: zou hij al wat hebben? Na een week of twee, drie was het zover. Marijn deelde iets nieuws uit en we gingen zingen. Voor ons beiden een spannend moment! Ik was aangenaam verrast. Niet alleen door de melodie. Vooral ook door het mooie accent op het refrein: de coupletten eenstemmig en het refrein vierstemmig. Probeer het maar eens uit, het is heel bijzonder.
En dan de weken erna: drie gewone adventsvespers met dit slotlied. De vierde advent kende geen vesper, want het was toen al kerstavond. Die ochtend werd het 25 jarige bestaan van onze kerk De Rank gevierd met een ontbijt en een ochtendgebed, weer met dit slotlied. Wat een kick: een stampvolle kerk die ons lied zingt!
Ik wilde heel veel in dit lied. Iets over de stilte. De Eeuwige als vader en als moeder. Verantwoord gebruik maken van wat de aarde ons geeft. Niet afgezonderd, maar midden in de wereld staan. De zegen meenemen. Dat zijn thema’s genoeg voor een hele serie liederen. En de structuur moest net niet helemaal gewoon worden: een refrein dat tussen de coupletten klinkt, niet erna. Eigenlijk wilde ik teveel. Toch ben ik nog steeds tevreden over dit lied. En Marijn ook.
We hebben later nog eens iets gemaakt dat minder goed was, en er ligt een tekst die maar niet tot klinken wil komen. Omdat ik toch verder wilde schrijven en wilde dat liederen gezongen worden, ben ik op zoek gegaan naar bestaande melodieën. De resultaten daarvan zijn hier te lezen geweest. Maar nu ik dit lied samen met Marijn opnieuw bekeken heb, krijgen we beiden zin om weer eens iets te maken dat helemaal nieuw is. Wie weet waar dat toe leidt!


