Ineke Lautenbach

Om te lezen en te luisteren

Microfoon

Mijn vader nam niet alleen op van de radio. Bij de bandrecorder hoorde een microfoon. Het eerste wat mijn vader daarmee deed was een verjaardagsfeestje opnemen. Dat bleek helemaal niet leuk te zijn. Je hoort alleen maar kinderen door elkaar praten, slecht zingen, lachen en af en toe schreeuwen. Er is zo’n bandje bewaard gebleven, maar dat draaiden we later nooit meer.

Toch wilde hij onze kinderstemmen vastleggen. Sinterklaasliedjes zingend bijvoorbeeld. In het bovenhuis waar we tot mijn achtste woonden, hadden we een kolenkachel in de kamer. Zo’n zwarte, met ruitjes waar je de vlammen doorheen zag. En rond van boven, je kon er niets opzetten. Ieder jaar in december zetten wij voor die kachel onze schoen. De enige logische plek: de cadeautjes komen immers door de schoorsteen. Zittend op de grond zingen we onze liedjes. Met ons drieën, maar ook ieder apart. Mijn zus zingt Hoor de wind waait door de bomen. Voor mijn broer en mij als kleuters is dat te moeilijk, maar zij is al groot. Ze zit in de vijfde klas van de lagere school, gelooft uiteraard niet meer Sinterklaas, maar speelt het spel voor ons, kleintjes mee.

Jaren later en een paar bandrecorders verder blijkt de microfoon opnieuw een prachtige uitvinding te zijn. Als mijn ouders vijfentwintig jaar getrouwd zijn dragen de dochters van mijn zus een gedichtje voor. En geen gewoon gedicht, nee, nee, een wim-wam gedicht! Oftewel De wim-wam reus, uit De lapjeskat van Annie M.G. Schmidt. Daar zijn wij alledrie groot mee geworden. Met het hele boek trouwens. Mijn moeder zal het vaak hebben voorgelezen. Maar ik herinner me vooral de voordracht van de wim-wam reus door mijn vader. Uit het hoofd. Het hele gedicht, of delen daarvan. Op de meest idiote momenten. ’s Ochtends aan het ontbijt terwijl hij al ijsberend zijn stropdas knoopt. Tijdens een wandeling in het bos op zondagmiddag. ’s Avonds als hij rondloopt in huis, bedenkend wat hij zal gaan doen.

Voor het feest van mijn ouders hebben de meisjes, dan zes en zeven jaar oud, het onder deskundige leiding van mijn zus uit het hoofd geleerd. Ze zijn een beetje verkleed: ze hebben wim-wam oren en een wim-wam neus. Ze dragen het prachtig voor. En dat heb ik dus opgenomen.